Geschiedenis van ons orgel Geschiedenis van ons orgel

De dispositie (2) van het eerste orgel (dus in 1890) luidde als volgt:
  Manuaal:                                              
Aangehangen pedaal.
  Prestant 8’
  Bourdon 16’ (mogelijk alleen in de discant)
  Violon   8’
  Holpijp  8’
  Octaaf   4’
  Flûte d’amour 4’
  Octaaf   2’
  Cornet  3st. discant
  Trompet  8’ bas/discant gereserveerd.


(De dispositie is het geheel van registers, speelhulpen, manueelverdeling en technische details van een orgel. Een dispositie wordt voor elk te bouwen orgel apart door de orgelbouwer in ruggespraak met de opdrachtgevers vastgesteld. Disposities onderscheiden zich onder andere door de tijdgeest en muzikale stromingen. Andere factoren zijn het doel waar het orgel voor bestemd is (bijvoorbeeld een kerk of een concertgebouw), de beschikbare plaats en financiële mogelijkheden. Bestaande orgels staan vaak onder Monumentenzorg waardoor ook dit van invloed is op wijzigingen in de dispositie).


In het plan voor restauratie en uitbreiding van het orgel heeft de Firma onder andere het volgende geschreven over het orgel:
“Uw kerkgebouw herbergt een fraai van Dam-orgel. Ook dit instrument van Van Dam getuigt van het vakmanschap waarmee door deze firma werd gewerkt; degelijk vakwerk, betrouwbare konstrukties en op artistieke wijze vervaardigd. Hoewel het orgel heel goed past in de ruimte, waarin het staat opgesteld, het geeft een bijzonder fraaie aanblik, is het indertijd niet voor deze ruimte gebouwd, maar kennelijk bedoeld geweest voor een kleiner kerkgebouw. Er zijn diverse voorbeelden van dit orgeltype van Van Dam, welke steeds in kleinere kerken staan opgesteld, bijv. het door ons gerestaureerde van Dam-orgel te Oudwoude (Frld.).
Het orgel mist dan ook de kracht om de ruimte te vullen en heeft niet voldoende kapaciteit om de gemeentezang te begeleiden, wanneer het kerkgebouw volledig bezet is.
De Firma de Koff heeft indertijd (omstreeks 1950) hierin verbetering willen aanbrengen door aan de dispositie een Nasard 2 2/3’ en een Mixtuur 2-4 sterk toe te voegen, terwijl op een kantsleep een Trompet 8’werd geplaatst, waarvoor voorheen waarschijnlijk slechts een gereserveerde plaats geweest is, gedeeld in bas en diskant; de slepen welke nu dienst doen voor de Octaaf 2’ en Mixtuur. Tevens werd de pendaal voorzien van een vrije stem, een Subbas 16”, waarbij tevens de pedaalomvang uitgebreid werd tot 30 tonen.
Ongetwijfeld heeft dit tot gevolg gehad, dat het orgel meer volume kreeg, maar niet zodanig, dat het instrument nu volledig voor haar taak berekend is.”
“Helaas heeft firma de Koff, onder de destijds algemeen heersende mening, dat een orgel boventoonrijk diende te zijn, afgeweken van de van Dam-mensuren en enger pijpwerk geplaatst dan van Dam gedaan zou hebben.”
“Ter verkrijging van een orgel, dat volledig berekend zal zijn als begeleidingsinstrument voor een volbezette kerkgebouw, zal echter bij enkel een restauratie niet voldoende toenemen. Daarom moet naast restauratie gedacht worden aan een uitbreiding van het instrument. Gelukkig zijn hiervoor voldoende mogelijkheden aanwezig.”
“Het orgel zou dan voorzien moeten worden van een 2e pedaal”

Het oorspronkelijk klavier werd, na opnieuw te zijn belegd met been, gebruikt voor het 2e kalvier, dat als bovenwerk geplaatst werd boven de klaviatuur. Voor het hoofdwerk werd een identiek klavier (uiteraard met grotere toetslengte) bijgemaakt. De orgelkas werd teruggebracht naar haar oorspronkelijke diepte. Achter het orgel werd een vrijstaande pedaalkast opgesteld. Achter het orgel was daar plaats genoeg voor. Deze pedaalkast is vrij achter het orgel geplaatst. Achter het orgel is een doorgang gemaakt van ongeveer 60 cm. In deze doorgang tussen de orgelkast en de pedaalkast is er een verhoogde vloer gemaakt van 20 á 25 cm hoog. Hierdoor zijn er mechaniekdelen en een windkanaal aangebracht voor het pedaal. De uitbreiding is zoveel mogelijk in Van Dam-stijl gerealiseerd. Het pedaal is bijvoorbeeld een getrouwe kopie van het pedaal van het Van Dam-orgel in de Gereformeerde Gemeente te Nunspeet, dat voorheen in de Hervormde Kerk te Dokkum stond. De firma Hendriksen & Reitsma heeft in verschillende kerken z’n pedaalkast aangebracht, zoals in Schipluiden, Hierden en Hengelo.
De Subbas uit 1950 werd gehandhaafd, zij het dat deze werd opgeschoven en voorzien van 4 nieuwe pijpen, ter verkrijging van een wijdere mensuur. Ook de door firma de Koff geleverde Mixtuur werd gehandhaafd. Het hoofdwerk kreeg een nieuwe Prestantquint 3’ en een Trompet naar Van Dam faktuur. Tevens werd de inliggende tremulant in ere hersteld.
Na deze restauratie in 1983 hebben we een bijzonder fraai klinkend instrument, dat ten behoeve van de gemeentezangbegeleiding aan draagkracht niets te kort komt.
Door de Veluwse orgelmakers Hendriksen & Reitsma is veel en vakkundig werk afgeleverd.  Zij zijn Van Dam-kenners bij uitstek en hebben dat hierop niet mis te verstane wijze getoond.
De restauratie en uitbreiding werd begeleid door de Schoonhovense organist H.A. Brokking. De organisten Van Kooten, Van Nifterik en Oosterom kunnen weer op waardige wijze de gemeente met dit fraaie instrument dienen.

De aanwezige Trompet is waarschijnlijk omstreeks 1900 geplaatst, de laatste op een kantsleep. Het pijpwerk van dit register heeft een factuur, overeenkomstig de toen door Van Dam gebruikte fabriekspijpen.
Omstreeks 1930, toen de kerkgang beter werd, is het orgel al uitgebreid met enkele stemmen. De kerk was toen veel kleiner. Waar nu het koor is, daar stond vroeger een afscheidingswand met preekstoel. Het orgel stond in de andere beuk van de kerk (zeg maar de kant van de weg).
Omstreeks 1950 werd het orgel vergroot door de firma De Koff (3) uit Utrecht. Het manueel kreeg een Nasard 2 2/3’, een Mixtuur 2-4st. toegevoegd. De orgelkas werd dieper gemaakt om ruimte te bieden aan een pneumatische Subbas 16’ aan het pedaal, die als transmissie de bas vormt van de manuaalbourdon. Het toetsbeleg van de ondertoetsen werden vervangen door kunststof. De Trompet werd toen, om de nodige ruimte voor de nieuwe stemmen te krijgen, op een kantsleep geplaatst. Volgens de zienswijze van de orgelcommissie der Nederlandse Hervormde Kerk was die ingreep niet juist geweest, wat de Trompet dient voor een optimale aanspraak boven de ventielen der lade te staan.
Voor de kerkrestauratie van 1964-1967 stond het orgel dus in de andere beuk van de kerk (zeg maar de kant van de weg). De preekstoel stond tegen een grote afscheidingswand (die het koor helemaal afscheiden van de kerk. (plaatje van de kerk van voor de restauratie)
Na de kerkrestauratie kwam het orgel aan de andere kant van de kerk te staan (zeg maar in de zijbeuk aan de achter kant van de kerk). Deze ongunstige verplaatsing had tot gevolg dat het orgel te zwak was om de gemeentezang te begeleiden, gezien de afstand van de muren van de zijbeuk. Tevens werd het oude koor bij de kerk getrokken wat een veel grotere vloeroppervlak kreeg en dus ook een grotere ruimte is, terwijl de akoestiek van de kerk tegengesteld is aan die van het geluid van het orgel. Het orgel is tijdens de restauratie in opslag gegaan. Firma De Koff heeft in 1967 het orgel weer teruggeplaatst. Hij heeft ook verschillende stemmen “scherp” geïntoneerd om zodoende meer geluidsvolume te krijgen. Dit kwam de klankkleur niet ten goede en het orgel is hierdoor ook meer aan slijtage onderhevig.
In 1980 is er een Orgel commissie ingesteld, omdat er hoognodig wat aan het orgel gedaan moest worden. Volgens verschillende deskundigen heeft het orgel onvoldoende klankkracht om de gemeentezang te begeleiden. Het orgel was te zwak.
Er waren toen verschillende opties:
Reparatie van het orgel. De stemmen zouden dan in de oorspronkelijke staat geïntoneerd moeten worden, wat nog meer geluidsverlies zou opleveren.
Bij restauratie zouden de bijgebouwde stemmen in 1930 komen te vervallen en daarmee ook het pedaalregister. Dit om het orgel weer in zijn oorspronkelijke staat terug te brengen. Er zou dan weer een mooi Van Dam orgel terugkomen, maar nog steeds veel te zwak.
Bij uitbreiding was men gebonden aan de bestaande afmetingen van het front en de kas.
Ook is er gesproken over een nieuw te bouwen orgel (en het oude te verkopen). Dat heeft als voordeel dat er een hele “eigen” orgel gebouwd word, aangepast aan de plaats waar het staat en rekening houdend met de akoestiek van de kerk. Het orgel kan dan gebouwd worden met 2 manuelen en met een eigen pedaalregister.
Binnen de orgelcommissie is er ook nog gesproken om het orgel te verplaatsen boven de kansel. Monumenten zorg had zeer grote bezwaren tegen deze verplaatsing.

De firma Hendriksen & Reitsma (4) realiseerde een restauratie in 1983, die in alle opzichten het historische materiaal in ere herstelde. In hun plan voor restauratie en uitbreiding van het orgel heeft de Firma onder andere het volgende geschreven over het orgel:
“Uw kerkgebouw herbergt een fraai van Dam-orgel. Ook dit instrument van Van Dam getuigt van het vakmanschap waarmee door deze firma werd gewerkt; degelijk vakwerk, betrouwbare konstrukties en op artistieke wijze vervaardigd. Hoewel het orgel heel goed past in de ruimte, waarin het staat opgesteld, het geeft een bijzonder fraaie aanblik, is het indertijd niet voor deze ruimte gebouwd, maar kennelijk bedoeld geweest voor een kleiner kerkgebouw. Er zijn diverse voorbeelden van dit orgeltype van Van Dam, welke steeds in kleinere kerken staan opgesteld, bijv. het door ons gerestaureerde van Dam-orgel te Oudwoude (Frld.).
Het orgel mist dan ook de kracht om de ruimte te vullen en heeft niet voldoende kapaciteit om de gemeentezang te begeleiden, wanneer het kerkgebouw volledig bezet is.
De Firma de Koff heeft indertijd (omstreeks 1950) hierin verbetering willen aanbrengen door aan de dispositie een Nasard 2 2/3’ en een Mixtuur 2-4 sterk toe te voegen, terwijl op een kantsleep een Trompet 8’werd geplaatst, waarvoor voorheen waarschijnlijk slechts een gereserveerde plaats geweest is, gedeeld in bas en diskant; de slepen welke nu dienst doen voor de Octaaf 2’ en Mixtuur. Tevens werd de pendaal voorzien van een vrije stem, een Subbas 16”, waarbij tevens de pedaalomvang uitgebreid werd tot 30 tonen.
Ongetwijfeld heeft dit tot gevolg gehad, dat het orgel meer volume kreeg, maar niet zodanig, dat het instrument nu volledig voor haar taak berekend is.”
“Helaas heeft firma de Koff, onder de destijds algemeen heersende mening, dat een orgel boventoonrijk diende te zijn, afgeweken van de van Dam-mensuren en enger pijpwerk geplaatst dan van Dam gedaan zou hebben.”
“Ter verkrijging van een orgel, dat volledig berekend zal zijn als begeleidingsinstrument voor een volbezette kerkgebouw, zal echter bij enkel een restauratie niet voldoende toenemen. Daarom moet naast restauratie gedacht worden aan een uitbreiding van het instrument. Gelukkig zijn hiervoor voldoende mogelijkheden aanwezig.”
“Het orgel zou dan voorzien moeten worden van een 2e pedaal”

Het oorspronkelijk klavier werd, na opnieuw te zijn belegd met been, gebruikt voor het 2e kalvier, dat als bovenwerk geplaatst werd boven de klaviatuur. Voor het hoofdwerk werd een identiek klavier (uiteraard met grotere toetslengte) bijgemaakt. De orgelkas werd teruggebracht naar haar oorspronkelijke diepte.
Achter het orgel werd een vrijstaande pedaalkast opgesteld. Achter het orgel was daar plaats genoeg voor. Deze pedaalkast is vrij achter het orgel geplaatst. Achter het orgel is een doorgang gemaakt van ongeveer 60 cm. In deze doorgang tussen de orgelkast en de pedaalkast is er een verhoogde vloer gemaakt van 20 á 25 cm hoog. Hierdoor zijn er mechaniekdelen en een windkanaal aangebracht voor het pedaal. De uitbreiding is zoveel mogelijk in Van Dam-stijl gerealiseerd. Het pedaal is bijvoorbeeld een getrouwe kopie van het pedaal van het Van Dam-orgel in de Gereformeerde Gemeente te Nunspeet, dat voorheen in de Hervormde Kerk te Dokkum stond. De firma Hendriksen & Reitsma heeft in verschillende kerken z’n pedaalkast aangebracht, zoals in Schipluiden, Hierden en Hengelo.
De Subbas uit 1950 werd gehandhaafd, zij het dat deze werd opgeschoven en voorzien van 4 nieuwe pijpen, ter verkrijging van een wijdere mensuur. Ook de door firma de Koff geleverde Mixtuur werd gehandhaafd. Het hoofdwerk kreeg een nieuwe Prestantquint 3’ en een Trompet naar Van Dam faktuur. Tevens werd de inliggende tremulant in ere hersteld.
Na deze restauratie in 1983 hebben we een bijzonder fraai klinkend instrument, dat ten behoeve van de gemeentezangbegeleiding aan draagkracht niets te kort komt.
Door de Veluwse orgelmakers Hendriksen & Reitsma is veel en vakkundig werk afgeleverd. Zij zijn Van Dam-kenners bij uitstek en hebben dat hierop niet mis te verstane wijze getoond.
De restauratie en uitbreiding werd begeleid door de Schoonhovense organist H.A. Brokking. De organisten Van Kooten, Van Nifterik en Oosterom kunnen weer op waardige wijze de gemeente met dit fraaie instrument dienen.

(1) Lambertus van Dam werd in 1744 geboren. Hij leerde het vak bij Antoni Hinsz en vestigde zich in 1779 in Leeuwarden. Twee jaar eerder adverteerde hij voor het eerst in de kranten met zijn bedrijf. In 1820 overleed hij en zetten Luitjen Jacob en Jacob van Dam het bedrijf voort. Jacob van Dam overleed echter in 1839. Al spoedig werd dan ook de oude naam L. van Dam & Zonen weer ingevoerd. In 1917 zette de NV Orgelfabriek P. van Dam het bedrijf voort. Pieter van Dam overleed op 24 januari 1927 waarna het bedrijf niet lang meer heeft bestaan. Van Dam-orgels zijn door 3 generaties gebouwd en door het hele land te vinden.

(2) De dispositie is het geheel van registers, speelhulpen, manueelverdeling en technische details van een orgel. Een dispositie wordt voor elk te bouwen orgel apart door de orgelbouwer in ruggespraak met de opdrachtgevers vastgesteld. Disposities onderscheiden zich onder andere door de tijdgeest en muzikale stromingen. Andere factoren zijn het doel waar het orgel voor bestemd is (bijvoorbeeld een kerk of een concertgebouw), de beschikbare plaats en financiële mogelijkheden. Bestaande orgels staan vaak onder Monumentenzorg waardoor ook dit van invloed is op wijzigingen in de dispositie.

 

(3) Kerkorgelfabriek J. de Koff & Zn heeft een lange geschiedenis.
De orgelmaker Johan de Koff (1863-1950) uit Utrecht was meesterknecht bij firma Witte te Utrecht geweest. Na het overlijden van Johan Frederik Witte op 3 februari 1902 (1840-1902) heeft hij het bedrijf overgenomen onder de naam firma J. de Koff & Zn.
De zoon van J. de Koff (1891-1976) ook met de naam Johan de Koff heeft de orgelmakerij nog voortgezet tot 1964.
Johan Frederik Witte (1840-1902) werd op 6 november 1840 te Utrecht geboren en nam in 1873 het bedrijf over van zijn vader Christian Gottlieb Friedrich Witte (1802-1873).
J.F. Witte stamde zowel van zijn vaders- als van moederskant af uit een geslacht van bekende orgelbouwers. Zijn vader  trouwde in 1839 met een kleindochter van Gideon Thomas Bätz.
C.G.F. Witte had het vak in Duitsland geleerd bij de orgelbouwer Baethmann. In 1824 komt hij naar Nederland en gaat bij de firma Bätz aan de slag.
In 1833 wordt hij compagnon van Bätz en in 1849 neemt C.G.F. Witte het bedrijf in zijn geheel over. Hij noemt de firma nog steeds "Bätz & Co". Het bedrijf komt opnieuw tot grote bloei en bouwt zijn orgels door bijna geheel Nederland. Utrecht is natuurlijk zeer gunstig, omdat het centraal ligt.
De firma Bätz heeft 3 generaties bestaan. Orgelmaker Bätz & Co is in 1739 opgericht door Johan Heinrich Hartman Bätz (1709-1770) en gevestigt in Utrecht. J.H.H. Bätz had het vak geleerd bij Christiaan Müller.
Van 1770 tot 1772 neemt zijn broer de leiding waar totdat zijn  neef Gideon Thomas Bätz (1751-1820) het bedrijf overneemt. De zoon van G.T. Bätz, Jonathan Bätz (1787-1849) neemt het bedrijf over van zijn vader en is daarmee de derde generatie in het bedrijf.
In 1970 is de firma De Koff failliet gegaan. De lopende werkzaamheden en enkele werknemers zijn door de firma Flentrop Orgelbouw uit Zaandam overgenomen.


(4) De firma Hendriksen en Reitsma Orgelbouw werd opgericht in 1966, door W. Hendriksen en P. Reitsma, nadat jarenlange ervaring was opgedaan bij de firma Reil te Heerde en de firma Van de Berg & Wendt te Zwolle.
Als gevolg van vele restauraties en uitbreidingen van orgels kwamen al gauw meerdere opdrachten. Dit waren er zoveel, dat er reden was om het personeelsbestand uit te breiden. Ze zijn als tweemansbedrijf begonnen en in de jaren tachtig uitgegroeid tot een bedrijf met 10 werknemers. Door familieomstandigheden (het overlijden van mevrouw Reitsma) heeft de heer Reitsma in 1999 het bedrijf verlaten. Op 1 januari 2007 heeft de heer Hendriksen zich teruggetrokken uit het bedrijf en is het bedrijf overgenomen door dhr. G. de With. De heer de With was op dat moment 29 jaar bij het bedrijf in dienst en onder andere verantwoordelijk voor het onderhoud en het stemwerk.
Op dit moment wordt de orgelmakerij geleid door dhr. G. de With
.

terug